Bloemkool

Bloemkool

Van 2010 tot 2013 zijn diverse proeven gedaan met de teelt van bloemkool op een drijvend teeltsysteem. In dit systeem hangen de planten in een drijver in een bassin met een enkele decimeters diepe voedingsoplossing. Vrijwel de gehele wortelontwikkeling vindt plaats in de voedingsoplossing.

Het drijvende teeltsysteem is in beginsel minder kwetsbaar voor technische storingen en goedkoper dan het (in andere teelten) meer bekende gotensysteem. De planten zijn bovendien erg mobiel op dit systeem en dat biedt veel mogelijkheden voor vergaande mechanisering en automatisering.

Het basisprincipe is breed toepasbaar: naast bloemkool kunnen bijvoorbeeld ook minikool (rode, witte en savooiekool) broccoli, Chinese kool, sla, andijvie, knolvenkel, ter plekke gezaaide gewassen en diverse soorten zomerbloemen en vaste planten op het drijvende systeem worden geteeld.

In beginsel is het systeem geschikt om de emissie van meststoffen sterk terug te dringen. Ook wordt de keuze van de productielocatie veel minder afhankelijk van de kwaliteit van de (onder-)grond.


Voortvarende start groei bloemkool op drijvend teeltsysteem
Voortvarende start groei bloemkool op drijvend teeltsysteem
Een stevige verandering in de drijver is noodzakelijk om windschade te voorkomen/beperken
Een stevige verandering in de drijver is noodzakelijk om windschade te voorkomen/beperken
Zeer snelle en uniforme groei minikool op een drijvend teeltsysteem
Zeer snelle en uniforme groei minikool op een drijvend teeltsysteem

De belangrijkste projectresultaten zijn:

  • Bloemkool ontwikkelde zich in de eerste fase van de teelt snel en voortvarend maar kwam in de periode dat de kool begon uit te groeien in een kwetsbare fase. Tegen de oogst verwelkte een deel van de planten en het percentage bloemkolen klasse 1 bleef gemiddeld te laag.
  • De oorzaak voor de achteruitgang van de vitaliteit van het gewas in de laatste fase van de teelt is niet bekend. Slechts in één van de vele ziektenkundige onderzoeken werd een primaire ziekteverwekker (Phytophthora cryptogea) aangetoond die verantwoordelijk zou kunnen worden gesteld voor de symptomen. Daarnaast werden in verwelkende planten regelmatig larven en poppen van koolvlieg aangetroffen. Echter, er was geen consistent verband tussen de verwelkingsverschijnselen en de aanwezigheid van koolvlieg. Er was wel een duidelijk verband tussen de achteruitgang van het gewas en het gewasstadium, m.a.w. met de overgang van een sterke vegetatieve ontwikkeling naar het laten uitgroeien van de kolen leken de plant altijd te verzwakken. Dit verschijnsel komt ook voor bij een aantal snijbloemen.
  • De stabiliteit van bloemkool op een drijvend teeltsysteem vereist speciale aandacht. In het systeem mist de plant de steun van grond rond het wortelstelsel en de benodigde stabiliteit moet dan ook geheel gevonden worden in een stevige verankering in de drijver ter hoogte van de wortelhals. Dit is technisch mogelijk.
  • Bloemkool kan op water geteeld worden bij sterk uiteenlopende EC-waardes, maar de resultaten zijn beter naarmate een hogere EC wordt aangehouden. Waar het omslagpunt ligt is niet duidelijk: zelfs bij een EC van 6,5 tot 7,5 mS/cm groeide het gewas forser dan bij een EC van 5 mS/cm. Daarbij beoogde het onderzoek naar het effect van een hoge EC m.n. een compactere en daardoor meer windbestendige en sterke plant. Voor dit effect zijn waarschijnlijk dus nog hogere EC-waardes nodig.
  • Grote verschillen in stikstofconcentraties in de voedingsoplossing leidden niet toch grote verschillen in stikstofgehaltes in de bloemkolen. Op water geteelde bloemkolen hadden een lager (10-20%) droge stofgehalte dan in de grond geteelde bloemkolen. In vergelijking met de grondteelt bevatte bloemkool geteeld op water relatief veel magnesium en zink, maar weinig koper.
  • Hergebruik van de voedingsoplossing zonder deze te ontsmetten leidde niet tot verschillen t.o.v. het gebruik van een nieuwe voedingsoplossing.
  • Het geteste teeltsysteem bleek gevoelig te zijn voor nachtvorst. Metingen boven de sterk isolerend drijver (geëxpandeerd polystyreen, tempex) toonden aan dat de temperatuur net boven de drijver in periodes met veel uitstraling verder wegzakte dan de temperatuur boven braakliggende grond.
  • Mits het gewas bij matige en strenge vorst voldoende wordt beschermd is het mogelijk winterbloemkool te telen op het drijvende teeltsysteem.
  • Het product geteeld op water onderscheidde zich op het oog in de bewaring niet duidelijk van het gangbaar geteelde product. Wel leek op de kolen van de op water geteelde bloemkool iets meer schimmelplekjes voor te komen dan op kolen van in de grond geteelde bloemkool.
  • In een aantal demoproeven met minikolen bleek dat deze zeer goed te telen zijn op het drijvende teeltsysteem. De teeltduur van de geteste types – witte, rode en savooiekool – was in de teeltperiode juli – september 2 weken korter dan in de grondteelt.

Samenstelling begeleidingscommissie bloemkool:

Telers:

  • Theo Vlaar (Andijk)
  • Jack Weel (Grootebroek)
  • Manus Laan (Andijk)

Ketenpartijen:

  • William Gitzels (Plantenkwekerij Gitzels)
  • Joop Hof (Syngenta Seeds BV)

Adviseur:

  • Nico Bakker, LTO Vollegrondsgroenten.net

Communicatie

De directe betrokkenheid van de begeleidingsgroep zorgt voor korte lijnen met de praktijk en inbreng van de praktijk in het onderzoek. Daarnaast is er tijdens open dagen, lezingen en studiegroepbijeenkomsten gelegenheid voor telers en andere belangstellenden meer te horen over de opzet en de resultaten van het onderzoek. Tevens wordt er in 2013 actief gecommuniceerd met diverse ketenpartijen zoals bijvoorbeeld veredelaars, plantenkwekers, toeleveranciers en afzetpartijen. Het uiteindelijke doel is een teeltsysteem dat bedrijfseconomisch haalbaar is en gewaardeerd wordt door de samenleving.