Bladgewassen

Bladgewassen en kruiden

Vanaf 2007 vindt, op initiatief van de sector, onderzoek plaats naar alternatieve systemen voor de onbedekte teelt van bladgewassen en kruiden.

Dit onderzoek, uitgevoerd door Proeftuin Zwaagdijk, richtte zich aanvankelijk helemaal op de teelt op goten. Bij deze techniek – internationaal bekend onder de naam NFT (nutriënt film technique) - staan de planten in goten die op afschot liggen en waar een voedingsoplossing doorheen loopt.

Vrij snel echter werd ook een drijvend teeltsysteem (DFT, deep flow technique) beproefd. Bij een drijvend systeem hangen de planten in een drijver in een bassin met een enkele decimeters diepe voedingsoplossing. Vrijwel de gehele wortelontwikkeling vindt plaats in de voedingsoplossing. Het drijvende teeltsysteem is in beginsel minder kwetsbaar voor technische storingen en goedkoper dan het gotensysteem. De planten zijn bovendien erg mobiel op dit systeem en dat biedt veel mogelijkheden voor vergaande mechanisering en automatisering. Het basisprincipe is breed toepasbaar, naast zowel geplante als ter plekke gezaaide bladgewassen en kruiden bleken ook broccoli, bloemkool en diverse soorten zomerbloemen en vaste planten op het drijvende systeem te kunnen worden geteeld. Een belangrijk voordeel van DFT- en NFT-systemen geen vervuiling door opspattende gronddeeltjes optreedt. De groei en ontwikkeling maar ook het planten en oogsten wordt veel minder afhankelijk van periodes van droog of nat weer. Hierdoor neemt de leveringszekerheid toe en verbetert de kwaliteit van het geoogste product. Naast een snellere groei kan door een betere ruimtebenutting en snellere teeltwisseling per oppervlakte-eenheid meer geproduceerd worden.

Op basis van deze voordelen is het onderzoek in de bladgewassen zich vanaf 2010 geheel gaan richten op de drijvende teelt.

Vanaf 2009 voert een aantal praktijkbedrijven op kleine schaal experimenten uit met het drijvende systeem. Zo is één van de sla-telende bedrijven intussen doorgegroeid naar 3.600 m2 drijvende teelt en heeft een ander bedrijf in 2015 één hectare kas ingericht voor de drijvende teelt van Basilicum. De praktijktoepassingen worden door het onderzoek begeleid en de ervaringen van de bedrijven bepalen in belangrijke mate welk onderzoek werd uitgevoerd. 

Bemestingsproeven sla op het drijvende teeltsysteem
Bemestingsproeven sla op het drijvende teeltsysteem
Basilicum op water
Basilicum op water
Sla gedeeltelijk in tunnel geteeld
Sla gedeeltelijk in tunnel geteeld

De belangrijkste projectresultaten zijn:

  • Gemiddeld genomen wordt de kwaliteit en houdbaarheid van op water geteelde bladgewassen als goed beoordeeld. Een kwalitatief voordeel is dat het geoogste product schoner (vrij van gronddeeltjes) is dan het product van de grondteelt.
  • In proeven met sla en andijvie bleek het mogelijk te zijn ook zonder ontsmetting langdurig (3 jaar lang) gebruik te maken van dezelfde voedingsoplossing zonder dat de opbrengst verminderde.
  • Voor de drijvende teelt van sla kan gebruik worden gemaakt van gangbaar plantmateriaal, namelijk in perspotten gezaaide planten. Er zijn echter (teelttechnische) redenen – zoals bijvoorbeeld vervuiling van het teeltsysteem met organische stoffen - voor het gebruik van andere materialen. Geschikte alternatieven zijn o.a. steenwol, verlijmde kokos, paperpots, foam en perlite.
  • Ook nadat in meerdere achtereenvolgende slateelten ten aanzien van de gewasbescherming een worst-case-scenario was toegepast bleek dit niet te leiden tot overschrijding van de residunormen en ook niet tot oplopende gehaltes van gewasbeschermingsmiddelen in de voedingsoplossing. Uiteraard zijn deze processen afhankelijk van de eigenschappen van gewasbeschermingsmiddelen en kan de uitkomst anders zijn bij het gebruik van andere – bijvoorbeeld nieuwe - gewasbeschermingsmiddelen.
  • Hogere zuurstofgehaltes van het voedingswater leiden tot hogere oogstgewichten bij sla.
  • Sla en andijvie blijken te kunnen worden geteeld binnen een vrij brede range van voedingsschema’s. In de in de praktijk en het onderzoek veelgebruikte voedingsoplossingen wordt meer aangeboden dan de plant nodig heeft. Verdunning door bijvoorbeeld natuurlijke neerslag leidt daarom niet per definitie tot tekorten. In tegenstelling tot de gangbare teelt in de grond vereisen de spoorelementen veel aandacht. De hoeveelheden in oplossing zijnde en daarmee voor de planten beschikbare spoorelementen – m.n. ijzer en mangaan - kunnen sterk dalen en moeten daarom moet vrij intensief worden gemonitord.
  • Uit een rassenproef met andijvie kwam naar voren dat niet elk ras geschikt is voor de teelt op water, de ontwikkeling van de waterteelt kan dus worden gestimuleerd door op de waterteelt afgestemde selectie- en veredelingsprogramma’s.
  • Negatieve effecten van een hoge temperatuur van het voedingswater werd in de afgelopen jaren slechts een keer – namelijk onder zomerse omstandigheden - waargenomen. Dit vond plaats in een proef waarin de watertemperatuur met 32°C duidelijk hoger lag dan gebruikelijk in de zomer (20-25°C). In een niet actief belucht teeltbassin verwelkte het gewas (sla) overdag maar het gewas kwam ’s nachts weer wel op spanning en uiteindelijk was het gewas ook oogstbaar. De verwelking werd niet waargenomen bij planten in een bassin met dezelfde temperatuur waarin wel actief belucht werd.
  • Door in het voorjaar de voedingsoplossing te verwarmen kan de oogst van de eerste slaplantingen ongeveer 5 dagen worden vervroegd.
  • In een proef met Chinese kool leidde het toevoegen van met knolvoet (Plasmodiophora brassicae) besmette grond aan de voedingsoplossing niet tot een aantasting van het gewas door deze schimmel.
  • Het is mogelijk gewassen als wilde rucola, spinazie, (pluk-)sla en veldsla direct op drijvers te zaaien en deze na kieming op een voedingsoplossing te plaatsen. De resultaten tot nu toe waren wisselvallig en hebben nog niet geleid tot praktijktoepassingen. Zowel in de kiemfase als de fase waarin de planten met de wortels moeten doorgroeien naar en in de voedingsoplossing zijn ze zeer kwetsbaar.
  • Boven de veelgebruikte drijvers gemaakt van EPS (tempex) ontstaan op plantniveau grotere temperatuurverschillen dan in de grondteelt. Bij veel instraling loopt de temperatuur net boven de drijver hoger op terwijl deze onder omstandigheden waaronder nachtvorst ontstaat juist verder wegzakt.
  • In de onbedekte teelt van sla op een drijvend teeltsysteem blijkt de schimmelziekte Microdochium panattonianum (hagelschot) meer schade te veroorzaken dan in de grondteelt. Het is nog niet geheel duidelijk waardoor dit wordt veroorzaakt. Duidelijk is wel dat langdurige natuurlijke neerslag dan wel beregening bij het optreden van de ziekte een cruciale rol speelt. Het opspatten van druppels zorgt zowel voor de verspreiding maar ook voor een nat gewas waarop de schimmel kan kiemen. Uit proeven is dan ook gebleken dat het vermijden van neerslag op het gewas een aantasting door Microdochium kan voorkomen, m.a.w.: in een beschermde teelt hoeft de schimmel geen probleem te vormen. Voor de onbedekte drijvende teelt blijft de ziekte echter een bedreiging. Dat de ziekte op het drijvende teeltsysteem vaker voorkomt dan in de grondteelt zou verband kunnen houden met het feit dat vallende waterdruppels op een harde drijver hoger opspatten dan op de grond en dit zou voor een snellere verspreiding kunnen zorgen. Onderzoek wees inderdaad uit dat de ziekte zich op een drijver sneller verder verspreid dan op een drijver waar een laagje grond op ligt.
    Niet duidelijk is wat de oorsprong van de besmetting is. Om hier meer duidelijkheid over te krijgen heeft PPO AGV een genetische (PCR) toets ontwikkeld en deze getoetst op verschillende onderdelen van het teeltsysteem. Met de test werd Microdochium aangetoond op gebruikte drijvers maar niet in bijvoorbeeld de voedingsoplossing of de sliblaag van de teeltbassins. De toets wordt nu verder verfijnd zodat deze nog gevoeliger wordt. Er is ook met druppelproeven onderzoek gedaan naar infectiebronnen. Daarbij wordt in de nabijheid van slaplanten langdurig gedruppeld op het te onderzoeken materiaal of ondergrond. Is Microdochium aanwezig zal deze onder die omstandigheden een aantasting veroorzaken. Op deze wijze werden gebruikte drijvers, bassinranden, de directe omgeving rond de bassins, jonge planten, plantbakken en opslagplaatsen van jonge planten onderzocht en alleen bij drijvers ontwikkelden zich soms aantastingen.
  • In 2014 zijn op praktijkbedrijven en bij onderzoekslocaties watermonsters genomen van de teelt op water. Deze monsters zijn onderzocht op het microleven. Omdat veel ziekte, maar ook positieve effecten van de plantontwikkeling zijn toe te schrijven aan interactie tussen planten en micro-organismen is binnen Teelt de grond Uit besloten om een eerste analyse te doen van dit micro-leven. Via een nieuwe technologie kunnen de relatieve populaties van de aanwezige micro-organismen (schimmels en bacteriën) bepaald worden. Per monster wordt bepaald welk organisme in welke mate voorkomt. Vijftig monsters zijn geanalyseerd. Er zijn van alle praktijkbedrijven monsters genomen en een aantal monsters uit een onderzoeksopzet. Omdat organisch stof – suikers – in het water een grote invloed hebben op de groei, is er bijgehouden hoeveel suikers er in het water waren. Deze cijfers bleven echter constant erg laag, wat correlatie tussen organisch stof en populatiesamenstelling niet mogelijk maakte. Uit de analyses kwam dat er grote verschillen zijn in populatiesamenstelling tussen de bassins van de verschillende telers. Vaak zijn er 2-4 bacteriesoorten die de bovenhand voeren, maar welke dat zijn varieert per bassin. Bassins die waterkundig gekoppeld zijn, geven echter wel een vergelijkbare bacteriepopulatie. Ook boven als onderin het bassin komen dezelfde soorten voor. Over het algemeen zijn het zuurstofminnende organismen en enkele facultatief anaerobe bacteriën. De populatiesamenstelling kan sterk veranderd worden door schoonmaken, temperatuur en in beperkte mate door het aanenten van (nuttige) organismen.
    De samenstelling van de schimmels varieerde ook sterk. Omdat de schimmels niet op soort, maar op niveau van genus gedetermineerd kunnen worden, gaf de analyse een te beperkt inzicht voor verdere conclusies.
  • In de praktijk worden diverse varianten van het drijvende systeem ontwikkeld en verkocht. Een terugkerend discussiepunt is daarbij of het substraat waarin de planten worden gezaaid na het planten direct contact moet hebben met de voedingsoplossing of juist niet. Nadeel van direct contact is dat het substraat te nat zou kunnen worden. Heeft het substraat geen direct contact zal het in het begin vochtig gehouden moeten worden totdat de planten voldoende wortels in het water hebben gevormd. Uit onderzoek met sla blijkt dat de oogstresultaten vrijwel altijd beter waren als het substraat direct contact had met de voedingsoplossing. In het begin van de teelt zorgen voor direct contact tussen substraat en water en dat contact later in de teelt verbreken leidde in de proeven niet tot betere resultaten.
  • Het idee dat het beter is een zo klein mogelijke plant op het water te planten werd in proeven met sla (Lollo rossa) niet bevestigd. Het dus kennelijk mogelijk om de planten in een vrij laat stadium op eindafstand te zetten zonder daarbij concessies te doen aan de opbrengst. De duur van de fase op eindafstand neemt daardoor af. Als men hiervan gebruik maakt zal men in de opkweekfase een lagere plantdichtheid moeten aanhouden en deze zal dus langer duren.
  • In het onderzoek kon geen negatief effect worden vastgesteld van het overzetten van planten. In de proeven werden de wortels tot 5 minuten lang aan de (schrale) lucht blootgesteld.

    Hoe verder?

    Het bedrijfsleven toont veel belangstelling voor de drijvende teelt en de nu lopende praktijkinitiatieven worden dan ook gecontinueerd. Er zijn echter nog te veel teelttechnische en bedrijfseconomische onzekerheden zodat opschaling van de productiecapaciteit slechts mondjesmaat plaatsvindt. Zo vormt met name Microdochium voor de onbedekte slateelt nog een te groot risico. We zien dan ook dat telers experimenteren met de bedekte teelt van sla. Een ander belangrijk vraagstuk betreft een verbetering van de teelttechniek: de tot nu toe gebruikte combinatie van drijvers, planthouders, opkweekmedia en teeltstrategieën levert nog niet de gewenste constante productie. In het vervolgtraject zal de aandacht zich onder andere ook richten op emissiebeperking, beheersing van de waterkwaliteit, klimatologische aspecten bij de bedekte teelt, productkwaliteit en voedselveiligheid.

    Samenstelling begeleidingscommissie bladgewassen en kruiden

    Telers:

    • Dave Smit van Fa. Pater-Broersen (Waarland)
    • Ronald Peeters van Dutchgrowers (Tegelen)
    • Kees van den Berg van Maatschap CW van den Berg (IJsselmuiden)
    • Henri en Karin Brouwer van Broko (IJsselmuiden)
    • Han Lammers van PUUR groenten (Middenmeer)
    • Jaap van den Beukel van Gipmans Planten (Venlo)
    • Christ Monden, Richard en Leo Smits van De Kruidenaer (Etten Leur)

    Adviseur:

    • Ulko Stoll, Vollegrondsgroenten.net

    Communicatie

    De directe betrokkenheid van de begeleidingsgroep zorgt voor korte lijnen met de praktijk en inbreng van de praktijk in het onderzoek. Daarnaast is er tijdens open dagen, lezingen en studiegroepbijeenkomsten gelegenheid voor telers en andere belangstellenden meer te horen over de opzet en de resultaten van het onderzoek. Tevens wordt er actief gecommuniceerd met diverse ketenpartijen zoals bijvoorbeeld veredelaars, plantenkwekers, toeleveranciers en afzetpartijen maar ook met waterschappen, provincies en gemeentes. Tot slot worden ook de vakpers betrokken bij de verspreiding van de kennis en ervaring.

    Uiteraard communiceren betrokken bedrijven ook zelf over de ontwikkeling van de teelt op water, bijvoorbeeld met filmpjes:

    https://www.youtube.com/watch?v=IZpHzRbqGRE

    https://www.youtube.com/watch?v=JZvLPJ7zB0I

    Het uiteindelijke doel is een teeltsysteem dat bedrijfseconomisch haalbaar is en gewaardeerd wordt door de samenleving.